Zesdaagsen: klassieke verhalen van de piste
woensdag 25 juni 2008
De
wintermaanden. Wegrenners zitten nog thuis. De veldrijders rennen
door de modder. Maar de wintermaanden zijn vooral het toneel voor
zesdaagsen. Zesdaagsen zijn internationaal nooit weggeweest, maar in
Nederland beleeft het baanwielrennen een ware revival. Hieronder een
overzicht van enkele historische zesdaagsegebeurtenissen.
Major Taylor, de wereldkampioen viel op de baan in slaap
De allereerste zesdaagsen (Birmingham in 1875 had de primeur) waren
individuele wedstrijden. Het opzet was simpel: zes dagen aan één
stuk op de fiets zitten. Rusten kon, maar dan reed de concurrentie je
wel voorbij.
Niet iedereen kon die uitputtingsslag aan. De eerste wereldkampioen sprint heette Major Taylor en hij was zwart. In New York viel hij ooit in slaap op de baan en kon niet meer wakker worden gemaakt. De New Yorkse politie controleerde jarenlang het wel en wee van de renners, niet geheel ten onrechte.
Ene Nat Butler was ooit zo over zijn toeren, onder meer door alcoholmisbruik, dat hij bij de organisatoren kwam klagen dat er een kat en een hond meereden en dat die beesten hem wilden bijten. Hij hallucineerde duidelijk en meesmuilde dat men hem zes maanden lang op een baantje van zestig centimeter breed had laten rijden.
Zesdaagsen in Canada: En toen ging het licht uit...
In Canada, zo willen de verhalen, kon af en toe iets fout gaan. In 1931 deed zich in Montreal de grootste valpartij ooit voor. Nadat Thomas Alva Edison was overleden, vond het stadsbestuur het een prima idee om, was het maar heel even, de elektriciteit af te snijden, als eerbetoon aan de overleden uitvinder van de gloeilamp.
Op dat moment was in plaatselijke zesdaagse een felle jacht aan de gang. Alle renners knalden in de plotse duister tegen de grond, met uitzondering van één: Piet van Kempen, bijgenaamd Zwarte Piet of de vliegende Hollander. De zesdaagsekoning van jaren twintig had net zijn ploegmaat afgelost en hield zich boven in de baan aan de afrastering vast.