|
Krajicek zal zich Australië nog lang herinneren. Wegens grote resultaten en
wegens blessures. Hij was een sensatie op de Australian Open, hij bereikte de
halve finale na overwinningen op Michael Stich en Michael Chang, maar moest de
halve finale tegen Jim Courier opgeven, wegens een geblesseerde
schouder.
Krajicek had dubbele pech. Met Jan Siemerink stond hij ook de
de halve finale van de dubbel. Ook voor deze partij moest Krajicek opgeven.
Het blijkt lalter symbolisch voor de carierre van Krajicek. Talloze blessures verhinderden dat zijn ster nog verder zou stijgen. Drie knieoperaties, een elleboogoperatie, een voetoperatie en járen van revalideren; Krajicek moest het allemaal overwinnen. In juni 2003 gaf hij het gevecht met zijn eigen lijf echter op.
‘Wat is het onvoorstélbaar jammer dat ik een stuk van m’n
carrière niet heb kunnen afmaken. Ik had zo verschrikkelijk graag gezien wat
er nog had ingezeten.’
Sinds hij in 1989 prof werd, won hij 411 partijen en verloor
er 219. Krajicek won 17 toernooien, met Wimbledon in 1996 als absoluut
hoogtepunt. ‘Wimbledon maakt heel veel goed. Door Wimbledon kan ik nu rustig
in de tuin zitten.’
Vijf jaar lang stond hij onafgebroken in de toptien, in 1999
zelfs op de vierde plaats. Totdat hij uiteindelijk voorgoed geveld werd door
de Geniepige Drieëenheid van voet, schouder en elleboog.
De beslissing om te stoppen was eigenlijk snel genomen. Op het
toernooi van Rosmalen 2004 voelde Krajicek dat het gewoon niet meer ging. Maar
het moment waarop hij die beslissing hardop tegenover de pers uitsprak was
aangrijpend.
‘Mijn coach kon gewoon niet in de perskamer staan. Die kon
er niet tegen. We hebben samen al die jaren zo’n band opgebouwd. Een uurtje
later sta je buiten op de parkeerplaats, nog even samen bij de auto te praten.
“Nou, dat was het dan. Het is een mooie carriere geweest.”. En dan rijd je
naar huis, op weg naar een leven zonder tennis. Da’s zo gek…’ Wat rest
is de dvd die hij nog laat maken, met hoogtepunten uit z’n loopbaan. ‘Iets
om aan mijn kinderen te laten zien. En dan is het voor mij echt klaar.’
Hij heeft schitterende periodes meegemaakt, dat zeker. In 1992 –Krajicek
was toen eenentwintig- haalde hij voor het eerst een halve finale op een
Grandslam (Australian Open). Eind dat jaar eindigde hij bij de eerste tien van
de wereld.
‘Dat was echt heel bijzonder. Onwaarschijnlijk gewoon. En Wimbledon
natuurlijk, met vervolgens de finale in Los Angeles. Schitterende weken.’
Maar 1999 is op afstand zijn allermooiste jaar geweest. ‘Ik won Key Biscane,
werd vierde op de wereldranglijst. Toen speelde ik zó goed, zo explosief; ik
kon alles en iedereen aan. Mijn lichaam stond het toe. Ik was gewoon
ontzettend goed, won van Sampras. Mensen zeiden ook: “jij gaat Wimbledon
weer winnen”. Mijn niveau lag echt hoger dan in ’96.‘
Hij voelde het ook op de baan, tijdens het spelen. ‘Je weet van tevoren
dat je de bal niet kúnt missen. Dat is heerlijk. Want soms heb je ook het
gevoel dat je de bal niet tussen de lijnen kunt krijgen. Dan is iedere bal die
je krijgt bijna een bedreiging. En doordat je twijfelt, gáát het ook mis. Je
gaat de bal duwen, in plaats van door de bal heen te slaan. Daardoor verlies
je alleen nog maar meer controle. Ondertussen sta je vertwijfeld iedere slag
te analyseren: wat doe ik fout? Je gaat je hele checklist af, punt voor punt.
Als dat ook niks oplevert, blijft er alleen nog vechtlust over. Terug naar je
basis, vol op de bluf.’
Zijn zwartste periode begon in 2000, 2001. Hij was net geopereerd; drie tot
zes maanden later zou hij weer moeten kunnen spelen. ‘Maar na negen maanden
speelde ik nog steeds niet. Dat was een heel slechte tijd. Ik zag het niet
meer zitten. Verliezen van je tegenstander is veel minder erg dan verliezen
van je blessures.
Ik heb vaak gebaald als ik een toernooi had verloren, op het nippertje of
door m’n eigen stommiteit. Dat hoort er nou eenmaal bij, dat is sport. Soms
verlies je wedstrijden. Op zo’n moment was ik fysiek of mentaal gewoon niet
sterk genoeg. Maar het was wél een eerlijke strijd: zo wás ik op dat moment.
Dat was de sporter Richard Krajicek. Maar dat je vanaf 2000 die overgang ziet.
Steeds minder kunnen trainen omdat je zo’n last hebt van je arm, terwijl je
daarvoor nog zo goed presteerde. Dat is heel moeilijk te accepteren.’
De parallel met Marco van Basten lijkt voor de hand te liggen.
Ook bij hem maakten blessures een verder verloop van z’n carrière
onmogelijk. Toch gaat de vergelijking maar gedeeltelijk op, vindt Krajicek.
‘Van Basten is echt wereldtop geweest, de beste spits
van de wereld. Daar ga ik me niet mee vergelijken. Ik heb heel goede
toernooien gespeeld, maar Van Basten is als sportman groter. Ik was goed,
maar zat onder dat topniveau. Ik heb Wimbledon gewonnen, maar ben niet de
nummer 1 van de wereld geweest. In tennis heb je een topgroep, een subtop en
een groepje daaronder. In de eerste groep zitten de echte legendes: Agassi,
Sampras. De groep daaronder bestaat uit de hele goeien -Rios, Kafelnikov,
Rafter- die twee Grandslams hebben gewonnen of nummer 1 van de wereld zijn
geweest. En daar weer onder zitten de jongens die zoals ik één Grandslam
hebben gewonnen.’
|